Reisverslag 2009

Kameroen: samenleving zonder mededogen

Verslag van onze evaluatiemissie 2009.

 Van 15 t/m 30 januari verbleef ik in Kameroen. Om er weer de realiteit van onze medeblinden te ervaren, maar ook om onze microprojecten te bezoeken. De Kameroense Ambassade in Den Haag had daartoe een gratis ‘visa de courtoisie’ afgegeven. Ik had me voorgenomen me zonder reserve te voegen naar de Afrikaanse omstandigheden. Vanwege je afhankelijkheid als blinde viel dat niet altijd mee, maar het bleek wel dè sleutel te zijn tot integratie, ze vonden het geweldig dat ik één met hen wilde zijn. Nu was wildplassen in de goten op straat van mij als vrouw toch wat te veel gevraagd, maar met drie man op de motortaxi rondscheuren in de krioelende mierenhoop van de miljoenenstad Douala, op de tast in de duistere realiteit van het Afrikaanse sanitair, mijn brede slaappplaats delen met de kroostrijke families waar ik logeerde, ik heb het allemaal doorleefd. Overigens voelt zo’n menselijke kluwen heel wat veiliger dan een nacht alleen, in een bed met muskietennet dat slecht bestand blijkt tegen een vraatzuchtige muizenkolonie. En ja, dan voelt het zelf ervaren van armoede toch wel even anders dan het erover lezen.

 Mijn zelf betaalde vlucht verliep vanaf Brussel via Casablanca naar Douala, het economische hart van Kameroen, waar het vliegtuig kort na middernacht landde. Dat de criminaliteit er dagelijkse kost is, bleek mij al snel; mijn koffers waren doorzocht en van de acht mobieltjes die Vodafone Foundation geschonken had voor de blinden daar, waren er vier verdwenen. De eerste nachten logeerde ik in het armoedige onderkomen van Robert Eyaman, het hoofd van de blindengroep Douala die hem daar op handen draagt. Om zo veel mogelijk blinden te kunnen ontmoeten, was er een intensief programma voor me geregeld. De eerste ochtend al brachten we een visite de courtoisie aan de directeur van het Collège Evangélique dat bereid is ook blinde leerlingen toe te laten; zij werden aan mij voorgesteld. Vervolgens naar de onderprefectuur, om te getuigen tegen een aanklacht van de directrice van het Centre de la jeunesse. In dat jongerencentrum waar ook de blindengroep Douala een onderkomen had, was in de nacht van 29 december brand  gesticht. Het vermoedelijke motief was jaloezie van de directrice zelf, vanwege onze halfjaarlijkse zendingen hulpgoederen die in Douala arriveren en van daaruit over de diverse blindengroepen worden gedistribueerd. Maar die zendingen bestaan echt niet uit zakken vol goudstukken. Al met al dreigt de blindengroep nu op straat te worden gezet. Als ze een eigen terrein zouden hebben, echt geen overbodige luxe in een stad met drie miljoen inwoners, zouden ze wellicht een locale serviceclub bereid vinden te helpen met de bouw van een definitief onderkomen. Diezelfde middag nog bezochten we drie microprojecten van blinden die we hadden gefinancierd. Overal werd mij een maaltijd aangeboden en werden baby’s met schattige donskrulletjes in mijn armen gelegd, in de hoop dat ik me hun situatie goed zou herinneren. Afrika staat bekend om de onderlinge warmte die families in staat stelt in hun misère toch te overleven. Ik mocht nu in die warmte delen.

De volgende ochtend was er een feestelijke ontmoeting met de blindengroep Douala. Daarna hield ik audiëntie: wie  een persoonlijke vraag had, mocht die stellen. Algauw bleek dat eigenlijk iedereen wel een probleem had. Een vijftienjarig meisje met ontsierende littekens op armen, gezicht en hals, gevolg van een auto-ongeluk. Uit schaamte had ze zich bedekt, en dat in die bloedhitte. Ze informeerde naar plastische chirurgie. Twee jongens met clammydia. Antibiotica van inferieure kwaliteit hadden de ziekteverwekkers immuun gemaakt. Een meisje met een baby die ze niet zelf kon voeden, en de poedermelk was zo duur. Een vader, vanwege zijn tweejarig dochtertje dat nu ook blind dreigde te worden, en voor een cataractoperatie was geen geld. Als zo meer dan vijftig blinden hun hoop gevestigd hebben op ons, doodeenvoudig omdat er niemand anders naar ze omziet, wat voel je je dan onmachtig. Gelukkig heb ik afgeleerd te denken in kwantiteit, maar te kijken naar onze mogelijkheden en die zo effectief mogelijk in te zetten. Daarbij is de morele steun vanuit ons netwerk van donororganisaties en trouwe donateurs van niet te onderschatten waarde.

’s Avonds logeerde ik bij de familie van Samba waar ik allerhartelijkst werd ontvangen. Samba was in 1994 bij een explosie van een handgranaat zijn ogen en handen kwijtgeraakt.  Hij demonstreerde me nu hoe hij op zijn mobieltje toch nummers kon intoetsen met zijn tong. Ook kon hij zich zelf wassen, zijn tanden poetsen en zich aankleden. Maar bij het eten had hij hulp nodig. Hij vertelde me hoe zijn omgeving weer respect voor hem had gekregen Dankzij het contact met ons en de maandelijkse steun vanuit ons noodfonds. We bezochten ook Samba’s nieuwe woonruimte waarvoor Stichting De goeie doelen al eind 2007 voor een jaar de huur had betaald. Na heel wat ontgoochelingen met verhuurders die terugkrabbelden zodra ze Samba zagen, was het dan toch eindelijk voor elkaar gekomen; Hij zou er met zijn vriendin gaan wonen.

Na het weekend reisden Robert en ik naar de plattelandsgemeente Njombé, gelegen in het district Moungo. In de vrije natuur was de warmte minder drukkend dan in de miljoenenstad. We bezochten het terrein met het houten gebouw  dat in september was aangekocht voor de blindengroep AMO (Aveugles de Moungo). Vanuit de missiepost Njombé wordt de groep begeleid en administratief ondersteund. Na een geanimeerde bijeenkomst, waarbij ook de locale autoriteiten zich niet onbetuigd lieten, vertrokken we naar de missiepost om er de inauguratie van president Obama te volgen, die hier voor de grap ‘Balabama’ wordt genoemd, vanwege zijn toch blanke moeder. Tijdens die plechtigheid was er op straat werkelijk geen kip te bekennen, alle Afrikanen zaten zich te verkneukelen dat een van hen het nu toch tot wereldleider gebracht had! Later op de avond werden we verrast door een gigantische wolkbreuk die minstens anderhalf uur aanhield. In het droge zomerseizoen is dat heel ongewoon,, maar de klimaatveranderingen zijn ook in Afrika merkbaar. Omdat Kameroen geen meteorologisch instituut rijk is, word je vaak door zo’n plotselinge weersomslag overvallen.

De volgende ochtend brachten we een bezoek aan de albino die niet naar de bijeenkomst had kunnen komen. Hij was verlamd, blind en slechthorend. Het dak van zijn huisje lekte. Hij vond het zo jammer in zijn situatie niets meer voor de blindengroep te kunnen doen, maar voor hen bidden kon hij nog wel. Voor zichzelf vroeg hij niets. Wij hebben inmiddels besloten het dak te laten repareren en hem vanuit ons noodfonds te steunen zodat hij voortaan elke dag een fatsoenlijke maaltijd krijgt.

Daarna met drie blinden wachten aan de weg op vervoer naar Mbouda; vanuit Njombé vijf uur lang in een busje met je hoofd klem tegen het dak en met je voeten op het motorblok. Evengoed toch heel gezellig, en bij elke payage, waar wegentol wordt geheven, wordt het busje belaagd door horden verkopers van flesjes water, pinda’s en andere attracties. In Mbouda was het niet warmer dan 22 graden, voor een noorderling weldadig koel. We werden er verwelkomd door de onderprefectuur, in het gebouw van de Service Sociale. De meeste leden van Mbouda hadden van ver moeten komen. Een polygame man die de zorg had voor zijn vier vrouwen en negentien kinderen, klaagde dat hij niet rond kon komen.

De volgende ochtend vanuit Mbouda naar Yaoundé, de politieke hoofdstad van Kameroen. De busreis zou vier, hooguit vijf uur duren, althans dat was de bedoeling. Nadat bij het reisbureau een plaatsbewijs was gekocht, stapten Robert en ik argeloos de bus in. Om te suggereren dat de bus op vertrekken staat,  wordt aan familie gevraagd alvast plaats te nemen. Zodra de bus dan volstroomt met echte reizigers, knijpen de figuranten er tussenuit. Dan is het wachten tot je een ons weegt, want eerst moeten er nog even nieuwe banden worden omgelegd, een klus die uren duurde. Maar wat konden wij, als blinde passagiers in een criminele entourage, anders doen dan lijdzaam berusten?

Om half twee konden we dan eindelijk vertrekken. En na nog het nodige oponthoud onderweg, kwamen we uiteindelijk om acht uur ’s avonds in Yaoundé aan.

De dag daarop per auto naar de plattelandsgemeente Elig Ngono, om het door ons gefinancierde viskweekproject te bezoeken. Het eerste jaar had dat al een winst opgeleverd van 300 000 F CFA, omgerekend €458,–, wat daar een fortuin betekent. Natuurlijk was daar ook de negenjarige Augustine die dankzij de door ons gefinancierde cataractoperatie nu weer helder kan zien. Ze nam me bij de hand om me te leiden. Het was er paradijselijk mooi, midden in de bossen, met mandarijnenbomen, en de vissen opspringend in de uitgegraven vijvers.

De blindengroep daar sprak er alleen de lokale talen, maar dat ze erg vereerd waren met mijn bezoek bleek wel aan het eind van de middag, toen mij een levende haan werd overhandigd. Onnozele noorderling als ik ben, stelde ik voor het angstige dier maar weer vrij te laten, maar dat werd niet begrepen, want wie zou er nu een lintje van de koningin weigeren?  Bij thuiskomst in Yaoundé bleek dan ook dat mijn begeleider de haan stiekem had meegenomen.

Het tweede weekend van mijn verblijf had ik nog een ontmoeting met de hoogbegaafde studenten die wij jaarlijks met een bijdrage steunen. Dieudonné Sambon, voor wie wij de opleiding tot onderwijzer hadden betaald, was ook gekomen. Daarvoor was hij vanuit zijn dorp Nanga Eboko meer dan zestien uur onderweg geweest en had daar zelfs moeten bivakkeren op het station, om de trein van drie uur ’s nachts te kunnen nemen. Hij heeft nu een aanstelling op een reguliere school van de overheid, en verdient daarmee viermaal zoveel als zijn magere salaris op de particuliere Louis Braille-school in Yaoundé. Na het weekend naar de blindengroep in Ebolowa. Twee van de vier door ons gefinancierde microprojecten daar draaiden goed, over de andere twee was geen informatie beschikbaar; twee leden hadden zich namelijk afgescheiden om de koers te volgen van CJARC-directeur Coco Mowa en daarmee geweigerd over hun microproject openheid van zaken te geven. In tegenstelling tot mijn bezoek in 2007 toonde de blindengroep Ebolowa zich nu actief en bereid tot transparantie. Ze zouden graag gemeenschappelijk een pluimveefarm runnen.

Veel blindengroepen die vroeger dépendances waren van de Club de Jeunes aveugles (CJARC) in Yaoundé, hebben zich juridisch verzelfstandigd teneinde hun bezittingen veilig te stellen tegen de grijpgrage dictatuur van de hoofddirectie daar. Op de Louis Braille-school, gevestigd in ons vroegere opleidingscentrum, laten onderwijskwaliteit en verzorging in het internaat veel te wensen over, hetgeen overigens geldt voor de meeste particuliere blindenscholen in Kameroen waar winstbejag het hoofddoel lijkt. Sinds de overheid zelf onderwijskrachten rekruteert teneinde op openbare scholen het leerlingaantal per leerkracht bij te stellen, zijn veel maîtresses bij CJARC weggegaan, met verlies van kwaliteit en expertise van het (blinden)onderwijs. Er zijn al ouders die hun goedziende kinderen daar van school halen, ook vanwege de hygiënische omstandigheden. De huidige maîtresses zijn nu overbelast en sommige beheersen niet eens het brailleschrift, met gevolgen voor onderwijs- en spellingsniveau van de blinde leerlingen. Ook het onderwijs in braillelezen laat te wensen over sinds de blinde onderwijskrachten die hen tweehandig leerden lezen, vanwege hun kritiek op het beleid eruit zijn gewerkt. Maar CJARC-directeur Coco Mowa weet toch wel dat het Ministerie van Onderwijs in Kameroen geen inspecteurs langs stuurt, en het Ministerie van Sociale Zaken evenmin controleert op leefomstandigheden van de intramurale leerlingen.

Sinds 2006 steunen wij de blinden rechtstreeks. De meeste microprojecten draaien wel; sommige succesvol, andere met vallen en opstaan. Soms gaat het kapitaaltje op aan ziektekosten voor een kind of familielid, ook dat is een realiteit. Veel Afrikaanse gehandicapten hebben weinig gevoel van eigenwaarde. Ze staan niet snel op tegen onderdrukkende structuren, uit angst voor verlies van hun toch al povere zekerheden. Er zijn er die zichzelf niet anders kunnen zien dan als bedelaar. Geen wonder, wanneer ze door de maatschappij worden uitgekotst, terwijl het geld dat westerse donoren beschikbaar stellen voor hun ontwikkeling en welzijn, stelselmatig verdwijnt in de zakken van malafide gehandicaptenleiders of overheidsfunctionarissen, van hoog tot laag. En wie weigert mee te lopen in de tredmolen van corruptie, loopt het risico te worden omgelegd.

Kameroen telt ruim 600 000 maatschappelijk blinden. Op een bevolking van 20 miljoen is dat  bijna 3%. Maar hoe menswaardig te overleven, als de niet-gehandicapten er al verbeten moeten vechten voor hun bestaan? Zo is in Douala 40% van de meisjes en jonge vrouwen voor haar overleven aangewezen op prostitutie, met alle schrijnende gevolgen van dien. De reinigingsdienst is inmiddels alert, want in die miljoenenstad gaat er geen week voorbij of in de vuilcontainers op straat wordt een pasgeboren kindje aangetroffen. Als het nog leeft, wordt het overgedragen aan de religieuzen van het weeshuis. Die zoeken dan samen met de service sociale opvang bij een kinderloos echtpaar, want de Kameroense overheid betaalt niet voor de verzorging van deze kinderen.

Eenmaal thuis: twee krantenberichten, het eerste onbetekenend, het tweede breed uitgemeten:

– 111 Kenyanen levend verbrand bij de explosie van een gekantelde tanker waar ze op afgekomen waren, in de hoop op gratis brandstof.

– De Premier van IJsland heeft haar homoseksualiteit openlijk erkend.

Nijkerk, 23 februari 2009,                                                         Truus Jonker, secretaris.

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*